Superhelden in Nederland

Inleiding

Dit onderzoek staat in dienste van de module Digital Humanities in de Praktijk. Deze module richt zich op het facultaire digitale project ‘Digital Humanities Approaches to Reference Cultures: The Emergence of the United States in Public Discourse in the Netherlands, 1980-1990’. Dit facultaire project bestudeert transnationale invloeden op het Nederlandse publieke debat. Hierbij brengt het in kaart hoe collectieve referentiekaders op lange termijn zijn beïnvloed door dominante culturen, zoals de Amerikaanse cultuur.(Eijnatten, 2013).

De invloed van de Amerikaanse cultuur op de Nederlandse cultuur is geen ontwikkeling van de afgelopen jaren. Amerika heeft sinds 1945 een voorbeeld positie aangenomen ten opzichte van Europa. De interesse in alles wat Amerikaans was, was enorm. En deze interesse heeft er ook toe geleid dat de populaire cultuur van Amerika, waaronder haar volkshelden en statussymbolen, met open armen werd ontvangen.(Kroes, 1981) Onder deze populaire cultuur behoorden ook de Amerikaanse superhelden. Amerikaanse superhelden strips hebben volgens Ahmed & Lund (2016) een drievoudige functie. Ten eerste hebben ze tot nu toe vaak bijgedragen aan de reproductie van de Amerikaanse mythen over het goede en het slechte. De verhalen over superhelden dragen namelijk waarden en normatieve ideeën in zich van de hedendaagse samenleving (Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015). Superhelden zijn daarmee een benadering van de Amerikaanse geopolitieke identiteit en zijn daarmee een reflectie van intrinsieke Amerikaanse waarden waarmee de wereld begrijpelijk wordt (Dittmer, 2013). Deze cultureel bepaalde waarden en normen vormen tevens de basis voor het succes van een Amerikaanse superheld op het universele toneel. Hoe meer dezen namelijk globaal generaliserend zijn, des te populairder de superheld is op een universeel niveau.(Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015)

Ten tweede voorzien de Amerikaanse superhelden de lezer van een overheersende definitie van wat het betekent om Amerikaans te zijn (Ahmed & Lund, 2016). Dit komt vooral naar voren in het gegeven dat de lezer lering kan trekken uit het superheldenverhaal door haar situering in een Amerikaanse context met gebruikmaking van de Amerikaanse culturele identiteit. Hierbij moet echter wel in acht worden genomen dat slechts twee derde van de superhelden daadwerkelijk Amerikaans is.(Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015)

Tot slot dragen superheldenstrips bij aan de vorming van wereld- en zelfbeeld van de generaties die met de superhelden zijn opgegroeid (Ahmed & Lund, 2016). Men moet zich namelijk inbeelden dat de emergentie van bepaalde superhelden contextgebonden is (Rapp, Ogilvie, Bachrach, 2015). Men heeft altijd gezocht naar rolmodellen waarmee hij zich kon identificeren waardoor superhelden een soort van psychologische spiegel zijn van bepaalde tijdspannen (Plencner, Kraľovičová & Stropko, 2014). Door deze karakteristiek van superheldenstrips leent dit onderwerp zich ook uitermate goed voor het onderzoeken van sociale geschiedenis (Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015).

Om al deze redenen kan de bestudering van de superhelden in het Nederlandse publieke debat niet alleen iets zeggen over het publieke debat, maar mogelijkerwijs ook iets over het Nederland gedurende die periode. Welke periode er in dit onderzoek onderzocht wordt, is voor een groot deel afhankelijk van welk materiaal er beschikbaar is over mijn onderwerp in de database van digitale archieven (zie fig. 1 en fig. 2).

Schermafbeelding 2017-03-19 om 14.46.09
Fig. 1: Plot van de zoekresultaten gebaseerd op het digitale archief van de Koninklijke Bibliotheek van de zoekterm superheld* in regionale en nationale Nederlandse kranten in de tijdspanne van 1880-1990 waarbij plotselinge burst in rood is geïndiceerd. Visualisatie door de datamining tool Texcavator.
Schermafbeelding 2017-03-19 om 14.49.46
Fig. 2: Plot van de zoekresultaten gebaseerd op het digitale archief van de Koninklijke Bibliotheek van de zoekterm superheld* in regionale en nationale Nederlandse kranten in de tijdspanne van 1880-1990. Visualisatie door de datamining tool Texcavator.

De eerste keren dat er in het Nederlandse publieke debat wordt gesproken over superhelden (4 juli 1942; Provinciale Drentsche en Asser courant), wordt er verwezen naar een non-fictieve persoon die de superhelden-status toegedicht krijgt. Dit wordt afgedaan als onproductieve propaganda, wat duidt op dat men omstreeks 1942-1951 van mening is dat gewone mensen geen superheld-kwaliteiten toegedicht moeten krijgen.

Het is voor het eerst in 1951 dat men verwijst naar fictieve personages in een film als zijnde superhelden. Het landelijk dagblad ‘De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad’ publiceert op 12 augustus een recensie over de Amerikaanse film “Met vliegende vaandels” op de volgende manier:

Regisseur Robert Wise zoekt tussen neus en lippen van zijn helden en heldinnen een paar lieden uit, die met veellawaai als superheld opgediend worden. Weinig verheffends dus. Weinig origineel en nogal schreeuwerie.

Vanaf dit moment komt het steeds vaker voor dat er verwijzingen bestaan naar fictieve personages in Amerikaanse films als zijnde superhelden. Afgaande op deze informatie wordt dit onderzoek geperiodiseerd door als beginjaar van de analyse het jaartal 1951 te nemen.

Wanneer zowel de algemene doelstelling van dit onderzoek (het bijdragen aan het Translantis-project) en de periodisering van dit onderzoek in acht worden genomen, wordt de hoofdvraag van dit onderzoek: Wat is het discours omtrent (Amerikaanse) superhelden op het landelijke en regionale Nederlandse publieke debat vanaf 1951? Om antwoord te kunnen geven op deze hoofdvraag, zijn er drie deelvragen opgesteld:

  1. Welke (Amerikaanse) superhelden passeren de revue?
  2. Hoe wordt er verwezen naar de Amerikaanse superhelden?
  3. Welke karakteristieken bevatten de superhelden van tijd tot tijd?
Methoden

Dit betreft een Digital Humanities onderzoek. Dit behelst een set nieuwe manieren van onderzoek doen aan de hand van veelal geautomatiseerde en technologische hulpmiddelen. Hierbij wil ik benadrukken dat er gebruik wordt gemaakt van een heuristische cirkel waardoor dit onderzoek geen rechtlijnig proces is, maar iteratief.

Voor het samenstellen van het corpus, worden twee tools aangewend: Texcavator en LexisNexis. Beiden worden doorzocht aan de hand van de zoekopdrachten superheld* en superhero*. Texcavator is een semantische textmining tool speciaal ontwikkeld voor het onderzoeksprogramma Translantis dat put uit de Koninklijke Bibliotheek, de grootste vindplaats voor gedigitaliseerde historische kranten en tijdschriften uitgegeven tussen 1880-1990 (Eijnatten, Pieters & Verheul, 2014). Doordat Texcavator werkt met gedigitaliseerde kranten, dient er gewaakt te worden voor foutieve Optical Character Reader (OCR). Slechts 75% van de gedigitaliseerde teksten wordt namelijk goed overgenomen door OCR (Hitchcock, 2013). Een tweede textmining tool die wordt gebruikt is LexisNexis. Dit is een database die put uit (ge)digital(iseerd)e kranten vanaf 1992 en ook semantisch te doorzoeken is. Naar aanleiding van de textmining, missen de volgende jaartallen in mijn dataset: 1954, 1956, 1958, 1961, 1962, 1991, 1992, 1994, 1996.

In onderstaande tabel wordt een schematisch overzicht gegeven van het gehele corpus:

Aantal resultaten zoekopdracht superheld* Aantal resultaten zoekopdracht superhero*
Texcavator 588

Aantal artikelen: 431
Aantal advertenties: 156
Aantal illustraties met onderschrift: 1

Landelijke distributie: 372
Regionale distributie: 216

Overwegend conservatief (322 artikelen)

20

Aantal artikelen: 18
Aantal advertenties: 2
Aantal illustraties met onderschrift: 0

Landelijke distributie: 5
Regionale distributie: 15

Overwegend conservatief (10 artikelen)

LexisNexis 988 876

De datasets uit Texcavator en LexisNexis worden gemanipuleerd middels preprocessing met behulp van Python waarvoor Jelmer Nuss de codes levert. Dit is ten eerste van belang omdat de grootte van de dataset wordt gereduceerd doordat er irrelevante data uit wordt geknipt, en ten tweede verwijderd het ruis in de dataset waardoor het uiteindelijke analyseren van de dataset vergemakkelijkt wordt (Lu, Yuan & Lu, 1996). Tevens worden de datasets naar jaar gesplit middels de codes in Python.

Voor de daadwerkelijke analyse wordt de te onderzoeken periode geanalyseerd middels de dataset in kleinere corpora van vijf jaar te verdelen (met uitzondering van het daarvoor te kleine corpus van de periode 1951-1961). Deze keuze is gemaakt met het oog op het willen onderzoeken van een mogelijke verandering in discours over de tijd door elke vijf jaar afzonderlijk te onderzoeken en zo mogelijke verschuivingen te herkennen.

De analyse geschied voor het overgrote deel via AntConc, dit is “a corpus analysis toolkit designed specifically for use in the classroom” (Anthony, 2004, p. 7). Hiervoor wordt elk corpus eerst individueel geanalyseerd. Hiertoe wordt er ten eerste gekeken naar de concordanties binnen de individuele corpora die naar aanleiding van één zoekwoord (o.a superheld* en superhero*) verschillende patronen betreffende dat zoekwoord kan ontdekken(1). De concordanties zijn gesorteerd op zowel 1R/2R/3R als 1L/2L/3L. Vervolgens wordt er, om bovenstaande patronen samen te vatten en de meest voorkomende te ontwaren(2), gekeken naar Clusters en de N-Grams. De settings worden, afgezien van de verandering naar Min. Freq. in 2, intact gelaten. Ten derde wordt er gekeken naar de collocaties gekeken met alle default-opties in stand gehouden behalve voor de Sort By optie, die ik heb aangepast van Sort to Stat naar Sort to Freq. Vervolgens wordt er gekeken naar de wordlist waarvoor, om relevante resultaten te genereren, een stopwoordenlijst aangeleverd door Pim Huijnen wordt ingeladen. Tot slot zal het gehele corpus door AntConc worden geanalyseerd om via de concordance plot de verschillende corpora te vergelijken.

Het tweede deel van de analyse wordt voltrokken door het gebruik van topic modeling los te laten op de som van alle corpora. Dit is een textmining-techniek waarmee patronen binnen een corpus geïdentificeerd kunnen worden die vervolgens worden weergegeven aan de hand van topics: een string van woorden die vaak in elkaars nabijheid voorkomen (Brett, 2012). De instellingen die hiervoor worden gebruikt zijn de volgende:

  • Aantal te genereren topics: 20;
  • Aantal woorden per topic: 15;
  • Aantal iteraties: 200.

Bij beide stappen van de analyse wordt er een combinatie gemaakt tussen distant reading en close reading. Distant reading wordt veelal gebruikt voor het opdoen van de eerste indrukken en het overzien van patronen binnen de (individuele) corpora. Om deze patronen te verifiëren wordt er vervolgens terug naar de brontekst gegrepen en worden losse artikelen gelezen.

Resultaten

Met betrekking tot de analyse van de resultaten, worden er eerst generale resultaten betreffende het gehele corpus geanalyseerd. Vervolgens zullen de periodes los van elkaar geanalyseerd worden.

Overkoepelende bevindingen betreffende het corpus kunnen ten eerste gemaakt worden door te kijken naar hoe vaak de termen ‘superheld*’ en ‘superhero*’ voorkomen in het gehele corpus (fig. 3).

ChartGo
Fig. 3: Plot van de voorkomendheid van de zoektermen ‘superheld*’ (geïndiceerd in rood) en ‘superhero*’ (geïndiceerd in blauw) in het corpus. Visualisatie door http://www.chartgo.com/

Hieruit is af te leiden dat de tweede term, superhero, pas vanaf de periode 1978-1982 marginaal voorkomt, voordat het in 1998-2002 veelal naast de term superheld wordt gebruikt. Superheld, echter, blijft nog steeds de meest gebruikte term. Tevens is hier uit af te leiden wanneer superhelden over het algemeen hun hoogtijdagen beleven en een prominente plek innemen in het Nederlandse publieke debat.

Tevens is er gekeken naar welke superhelden er over de tijd zijn aangehaald. Hiervoor is er eerst naar de wordlist gekeken om de meestvoorkomende superhelden in het gehele corpus te identificeren en is er vervolgens via de concordanties plot gekeken naar hoevaak bepaalde superhelden per corpus worden genoemd. De resultaten hiervan zijn geplot in onderstaande grafiek (fig. 4):

ChartGo-3
Fig. 4: Plot van de meest voorkomende superhelden over de tijd op basis van het aantal vermeldingen per periode. Visualisatie door http://www.chartgo.com/

Deze grafiek (fig. 4) geeft inzicht in welke periodes (individuele) superhelden voorkomen. Tevens visualiseert het per superheld(engroep) wanneer ze opkomen en voor het eerst in het Nederlandse publieke debat vanaf 1951 intrede doen, wanneer ze veel of weinig worden genoemd, en wanneer ze niet meer in het Nederlandse publieke debat voorkomen als zijnde superheld. Ten derde geeft het inzicht in de meest genoemde superheld in een bepaalde periode. Hierbij moet aangemerkt worden dat dit niet per se betekent dat deze superheld het meest populaire was in deze periode, aangezien de deze grafiek niks zegt over de manier waarop er over de superhelden werd gesproken. Hierop wordt ingegaan in de volgende sectie van de resultaten.

James Bond
Fig. 5: Geplotte grafiek over de percentages van voorkomen van James Bond als zijnde een superheld over de tijd. Visualisatie door http://www.chartgo.com/

Een van de trends die hierin te ontwaren is, is de populariteit van James Bond, een superheld van de hand van Ian Fleming. Ik heb dat in de volgende topics naar voren zien komen: “bond james journaal fleming waarin mensen films kleur carr zeer lan telef roman opleiding stereo”; “bond james amerikaanse john fleming carr eerste kleur journaal tweede jr lan telef programma twee”; bond james john journaal fleming vrouw parijs kleur jean jonge connery nieuwe len carr jr”; “bond james vrouw plaats waarin fleming eerste lan journaal goede miljoen opleiding roman len carr”.

Met betrekking tot het gehele corpus is ook te stellen dat in de periode 2013-2017 een ander topic trending wordt met betrekking tot Marvel (15,5%-22,4%): “uur www superheld marvel the mensen zaterdag euro captain spider superheroes america zegt wolverine maart“; “www superheld jaar zie euro gratis captain eindhoven spider voorstelling zondag eigen comics caf goed“; “superheld zaterdag zie superman marvel eindhoven captain voorstelling zondag america spel man comedy naam maart“; “uur www marvel zie superman superheld captain man eindhoven superhero gratis zondag america maart mee“. Dit topic laat zien dat bepaalde superhelden van Marvel opeens een grote vlucht nemen en een grote rol spelen in het Nederlandse publieke debat. Vanwege deze grote rol bepalen zij op het moment het Nederlandse discours betreffende superhelden.

Periode 1951-1961

De analyse van de woordfrequentie levert de vermelding van Zorro op als de meest genoemde superheld (freq. 3). Teruggrijpend op de brontekst, wordt bij beschreven als een superheld die een “romantische strijd [voert] tegen het tyrannieke kwaad” (9 oktober 1955). Tevens opvallend bij analyse van de woordfrequentie is dat er twee nationaliteiten worden vermeld: Russisch en Amerikaans. Beide nationaliteiten hebben niks van doen met fictionele superhelden, maar verwijzen naar sporters die wel of geen kwaliteiten van superhelden bezaten met betrekking tot hun sportresultaten.

Bij de analyse van de concordanties kwamen er patronen naar boven drijven die wijzen op een emotionele lading. Zo wordt de superheld in dit corpus als blijmoedig beschreven. Tevens is de concordantie ‘geen superheld’ interessant aangezien deze betrekking heeft op non-fictionele mensen die zich niet lijken te onderscheiden van de grosso modo van de samenleving.

Periode 1962-1967

Een analyse van de woordfrequentie levert een paar interessante resultaten op. Ten eerste komt het woord ‘bond’ veelvuldig voor (freq. 77) waarbij het bij elke vermelding verwijst naar James Bond. In een overgroot groot deel van deze gevallen wordt dit in samenspel genoemd met ‘james’. James blijkt echter ook een voornaam van James Coburn (de superheld die vooral bekend staat als Derek Flint).

Een derde superheld die vanuit de woordfrequenties naar boven komt drijven, is Batman. Hoewel hij het toneel van de Nederlandse publieke opinie deelt met James Bond, is hij veel minder geliefd en wordt er veelal honend over hem geschreven in termen van hilarisch en stuntelend. De Amerikaanse Batman valt ten prooi aan een Nederland waarin de ‘Bondziekte’ overheerst (29 mei 1965). Dit komt ook terug in de collocaties, die veel verwijzingen geven naar James Bond en aanverwante zaken zoals filmtitels, acteurs en de auteur.

Naast James Bond en Batman, is Derek Flint van de partij en is Harry Palmer een nieuwe verschijning. Zij zijn echter marginaal aanwezig in het publieke debat in vergelijking tot James Bond en Batman.

Interessant is dat er ook over ‘held’ wordt gesproken naast ‘superheld’. Dit verschil wordt uitgemaakt door een bepaald aantal zaken. Ten eerste hangt het af van hoe spectaculair en origineel de persoon in kwestie zijn mannetje kan staan. Superhelden lijken getrainde helden te zijn die het avontuur opzoeken, waar helden meer accidenteel aanwezig zijn op de juiste plaats en juiste tijd als er iets desastreus gebeurt. Tevens wordt het woord ‘held’ gebruikt om hen aan te duiden die zwakke persiflages zijn van de superheld James Bond. Dit alles draagt bij aan de reconstructie van hoe er in deze periode over superhelden werd gedacht.

Bij de analyse van de concordanties vallen de bijvoeglijk naamwoorden op die worden gebruikt om de superheld te beschrijven. Zo werden de superhelden beschreven met de volgende bijvoeglijke naamwoorden: Amerikaanse superheld; conservatieve superheld; fantastische superheld; Franse superheld; grote superhelden; knappe, kalme superheld; keiharde superheld(en); liefhebbende superheld; verrukkelijke onaantastbare superheld; onze superheld; slome superheld.

Periode 1968-1972

Geinig genoeg lijkt deze periode, 15 tot 20 jaar in de materie, de pubertijd van de superhelden in het Nederlandse publieke debat. Dezelfde superhelden, en een paar nieuwe addities zoals Helm, Tim McCoy en Superman, komen naar voren in het publieke debat.

Hoewel concordanties en collocaties in deze periode nog steeds veel verwijzen naar James Bond (freq. 46 op ‘bond’), begint de zogenoemde ‘Bondziekte’ een beetje af te zwakken. Een artikel van 2 juli 1972 beschrijft dat “de veranderende politieke constellatie heeft de spion als patriottische held in elk geval onmogelijk gemaakt”. Maar James Bond is niet de enige die kritiek te verduren heeft. Zowel Superman als Batman kregen te maken met een publiek dat genoeg kreeg van de tot dan toe vertoonde scenario’s met superhelden en wilde iets anders dan het afbeelden van hun gevechten met aliens tussen de sterren. In een artikel van 7 november 1970 wordt dit gewijd dat het leven in Amerika in die tijd sterk begon te veranderen. Dit vindt haar weerklank in het Nederlandse publieke debat. Waar in Amerika de superhelden politiek geëngageerd raakten in relatie tot de Zwarte Panters, namen zij ook in Nederland politieke standpunten in door zich te scharen achter de Dolle Mina’s.

Concordanties wijzen daarnaast nog het een en ander uit over wat een superheld karakteriseert in deze periode. Ten eerste is dat de afspiegeling van Amerikaanse, het hebben van mooie kleren en snelle auto’s. De superheld houdt van gevaar en van mooie vrouwen. Ook bezitten zij kwaliteiten die het grosso modo van de samenleving niet bezitten maar wel over likkebaarden. De superheld is daarnaast ook onsterfelijk, knap, atletisch, meedogenloos en preferabel blank. Al wie deze kwaliteiten niet of slechts in mindere mate bevatten, wordt slechts als ‘held’ aangemerkt.

Periode 1973-1977

Karakteriseerde de voorgaande periode zich als een aanval op de gevestigde superheld, dan wordt deze periode gekarakteriseerd door het opnieuw uitvinden van de veelal Amerikaanse superheld. Dit blijkt ook uit het gegeven dat een deel van de superhelden uit de voorgaande periodes het niet heeft gered tot in deze periode. Nieuwe namen komen naar voren in de analyse, zoals Gene Bradley, Hutch, McQ, the Saint en O.S.S. 117. Verrassend is ook dat aan James Bond nog steeds wordt gerefereerd als zijnde een groots superheld maar verliest in deze periode zijn eerdere relevantie zoals aangegeven in de algemene bevinden betreffende het corpus (fig. 5). Tevens worden er verwijzingen gemaakt naar acteurs die superhelden spelen, zoals Terence Hill.

Over die laatste, Terence Hill, wil ik wel even een opmerking maken. Waar in de eerste onderzochte periode, 1951-1962 nog werd gesproken over Zorro als zijnde een superheld in het Oude Wilde Westen, doet de western pas in 1973-1977 aan als een hervonden genre dat naast het spionage-genre kan bestaan.

Het speelt in op de gebieden waar er in de voorgaande periode ontevredenheid over heerste: de superhelden beleven hun avonturen weer wat dichter bij huis en worden daarnaast veelvuldig anders besproken. Waren ze eerst enkel koelbloedig en onverschrokken, stoere binken, nu wordt een groot deel beschreven: blunderend, humoristisch, vrolijk, clowneske en verkreukeld. Er wordt ook wel beargumenteerd dat “de huidige tijd meer een humoristische en pikante aanpak van het superheldendom vereist” (artikel 18 juli 1975). Het beste voorbeeld hiervan is de uitgave van Walt Disney’s Robin Hood. In de zeven meest voorkomende collocaties, staan de termen ‘walt’, ‘disney’, ‘robin’ en ‘hood’ bovenaan. Walt Disney komt daarnaast ook nog veel voor als zijnde een 2-gram (freq. 101). Deze cartooneske superheldenfilm maakte furore als “de vrolijkste bandiet ter wereld” in Nederland en werd alom aangeprezen als een superheld voor kinderen.

Maar dat betekent niet dat alle superhelden van deze vrolijke stempel zijn. Er wordt nog steeds gesproken over superhelden als zijnde “[figuren die] steeds minder menselijke eigenschappen [tonen]. Superhelden (die niet kunnen zondigen laat staan een geweten hebben), Übermenschen (hoe haatten we dit type uit Wereldoorlog II), robotconstructies, bovennatuurlijke wezens.” (12 juni 1976). Toegegeven, veel van de superhelden zijn nog steeds karakters die meer spannende kwaliteiten bezitten dan de doorsnee huis-tuin-en-keuken persoon (en zelfs de ordinaire held die steekjes laat vallen), maar de superhelden doen over het algemeen steeds menselijker aan. Dit reflecteert ook in het gegeven dat men ook non-fictieve mensen zoals oorlogsveteranen en sporters als superhelden gaat beschouwen.

Dit lijkt ook de periode dat, waar de superhelden eerst enkel op de tv en het grote scherm te zien waren, ze nu ook in de vorm van stripboeken het grote publiek bereiken en daar ook meer over geschreven gaat worden. Vooral jongeren blijken veelal gebruik te maken van het kijken naar superhelden op de tv en stripboeken (artikel 12 juni 1976). Dit zal een ontwikkeling zijn die in de volgende periodes ook doorwerkt en vanaf nu bestaan de twee naast elkaar. Toch wordt er nog het meest gebruik gemaakt van film (film heeft een frequentie van 422).

Periode 1978-1982

Nieuwe superhelden doen deze periode hun intrede of worden belangrijker in het Nederlandse publieke debat zoals Superman, Conan, Bruce the superhero, the Spirit en Spiderman terwijl we anderen zoals James Bond en Saint weer terug zien komen. En de laatste twee nemen ook nog steeds een soort van nostalgisch voorbeeld in van wat een echte superheld uitmaakt. Dit is echter opmerkelijk, aangezien de recensies over de James Bond film Moonraker slechts recenseren “als puur amusementsfilm (…) zeer geslaagd”. (19 oktober 1979)

Spiderman wordt gezien als de daadwerkelijk nieuwe grote held en is als ware de Robin Hood van deze periode. Hij wordt beschreven als de grootste waaghals die nieuw ten tonele is verschenen en als superheld die het goed voor heeft met de wereld en de mensheid maar wat graag van haar ondergang red.

Verrassend is ook dat ik voor het eerst Europese striphelden terugzie in de analyse zoals Guust Flater, Buck Danny, de Smurfen, Asterix, Tom Poes, Robbedoes, Kuifje, Lucky Luke en Jaguar. Eerder dan in 1982 ben ik die niet tegengekomen als zijnde in één adem genoemd met superhelden. Daarvoor komen sommigen van hen wel marginaal voor, maar hebben ze deze status eerder nog niet verworven. Opmerkelijk is echter wel dat over hen niet geschreven wordt in termen van bijvoeglijk naamwoorden die hun nationaliteit aanduiden, zoals veelal wel wordt gedaan bij de Amerikaanse superheld.  In een artikel uit 1 december 1991 is in reflectie hiervoor de mogelijke oorzaak te lezen:

“(…) [in] het begin van de jaren zeventig kreeg de strip [in Nederland] de kans zich volledig te ontplooien. Frankrijk werd het moederland van de strips, zoals dit land ook op andere gebieden in Europa cultureel vaak toonaangevend is.”

Hieruit blijkt dat men in Nederland niet alleen meer naar Amerika en Engeland kijkt voor de superhelden, maar het ook dichterbij huis gaat zoeken.

Een andere opmerkende factor is dat er in deze periode voor het eerst echt gesproken gaat worden over superheldinnen. Hierin is ten opzichte van de voorgaande perioden, een ontwikkeling te zien waarin superhelden niet meer per definitie mannelijk zijn en dat de vrouwen die aan de zijde van superhelden verschijnen niet enkel mooi, aanhankelijk en afhankelijk zijn van de mannelijke superheld. Er verschijnen dus vrouwen met in de rollen van superheldinnen waardoor “de [belichaming van de] bekende, nagenoeg niet meer gebruikte, onkwetsbare alwetende mannelijke superheld (…) een nieuwe inhoud [krijgt].” (21 juni 1980).

In deze periode wordt er ook een nieuw genre geïntroduceerd naast het spionage-genre en de westerns in Nederland: science fiction. Dit wordt uitgelegd als:

“(…) zoiets als wetenschappelijke fantasie en is een vermenging van een hedendaagse ideologie en een futuristische technologie. (…) Hoofdpersonen zijn de mooie, sterke superheld, de lelijke superbooswicht, die overwonnen moet worden en de prachtige mooie superheldin, die gered moet worden. ” (3 maart 1979)

Het blijkt een genre te zijn dat opeens alle lagen van de Nederlandse bevolking aanspreekt in hoe het de “kind-in-de-volwassene” in een droomwereld positioneert waarin men zelf de superheld(in) kan zijn. Het succes slaat niet alleen aan bij lezers, maar wordt ook opgepakt door filmmakers en modeontwerpers (3 maart 1979) en tevens wordt het debat voor de gelijkheid van de zwarte superhelden zoals geïnitieerd in periode 1968-1972 opnieuw leven in geblazen (19 oktober 1979). Echter, zij lijken het nooit te hebben gemaakt tot de populaire superheldenfilms zoals hun blanke collegae dat voor elkaar hebben gekregen.

Dit alles geeft blijk van een vergrootte functie van superhelden in het Nederlandse publieke debat in periode 1978-1982 ten opzichte van de voorgaande periodes.

Periode 1983-1987

Was vorige periode Spiderman dé man van het witte doek, is hij in deze periode compleet weggevaagd en is zijn plaats ingenomen door onder andere Sylvester Stallone’s Rambo: “de norse superheld met het lichaam waar Atlas „u”” tegen zou zeggen.” (11 juli 1985). Wat hierin opvalt is dat de fictieve oorlogsveteraan Rambo hier de superheld en typische Amerikaanse volksheld wordt gemaakt, waar gedurende de periode 1973-1977 echte oorlogsveteranen werden als superhelden werden geroemd.

Daarnaast heeft Spiderman plaats moeten maken voor Superman. Superman, echter, wordt niet enkel lovend onthaald en dit wordt vooral duidelijk in een vergelijking met de superheld die in 1962-1967 door het stof werd gehaald: Batman.

“De VPRO-televisie en SKY CHANNEL hebben een goede zet gedaan met het uit de kast halen van de twintig jaar oude serie Batman. Op het eerste gezicht waren er niet veel verschillen tussen Batman en Superman, alleen de  vleermuis-invloeden van Batman waren onmiskenbaar. En bovendien hoefde Batman het niet van bovennatuurlijke  krachten te hebben zoals Superman; zijn atletisch gebouwde lichaam kon alles aan.” (2 april 1987)

Niet allen laat dit een verandering over de tijd zien met hoe er over Batman wordt gedacht in het Nederlandse publieke debat, het laat ook de verscheidenheid van karakteristieken van superhelden zien. Sommige zijn liefdadig en braaf, anderen zijn nors, simpel en meedogenloos, maar vooral zijn ze onverslaanbaar.

Daarnaast bestaan er nog wat superhelden die tussen neus en lippen worden genoemd zoals Buck Rodgers die vanuit de stripverhalen op het witte doek wordt getoverd, en Flash Gordon. Ook Condorman geniet enige aandacht als een soort van persiflage van en samensmelting tussen Superman en James Bond: “dommer, stunteliger en banger dan Superman. Daarnaast heeft hij net als geheimagent James Bond ook een groot arsenaal buitenissige hulpmiddelen.” (31 oktober 1987). Beter goed gejat dan zelf slecht verzonnen, blijkbaar.

Periode 1988-1992

Waar sommige superhelden eendagsvliegen zijn, blijven andere superhelden periode na periode op het toneel verschijnen. Ook in deze periode zien we een paar bekende namen terug: de Amerikaanse Batman en Spiderman, en de Europese Kuifje en Asterix. Maar ook worden nieuwe superhelden geïntroduceerd: de Amerikaanse Daredevil (wiens stripverhaal in 1989 in Nederland wordt ontvangen als beste buitenlandse strip), The Avengers (ook wel ‘de Wrekers’ of ‘de Vergelders’ genoemd) Ultraman en Watchmen, en de Europese Suske en Wiske en Miracleman. Ook Indiana Jones en Star Wars tikken het superheldendom aan. Vooral dat naast elkaar bestaan van de Amerikaanse en Europese superhelden wordt in deze periode erkent:

“„De stripmarkten groeien naar elkaar toe. Europese strips krijgen een meer Amerikaans karakter en Amerika kijkt meer naar Europese strips. (…)” In het beste geval levert dat een verschuiving op naar de psychologische, menselijke kant. Een verdienste van de Europese strip, want die heeft de verkenning van het individu in het algemeen boven actie en het vlotte verhaal gesteld.”  (30 oktober 1989)

Deze evolutie in het stripwezen wordt ook veroorzaakt doordat waar eerst Batman in 1966 zich “een flinke portie naïviteit kon veroorloven” (30 oktober 1989), hij nu een metamorfose heeft doorgemaakt waarin zijn wraak bloedserieus is en niet meer om te lachen. Tevens zet Batman zich in deze periode ook af tegen zijn collega-superhelden doordat hij niet een “superwelzijnswerker” die hun superkwaliteiten inzetten voor het welvaren van de mensheid zoals zijn collegae Superman en Spiderman bijvoorbeeld, maar dat hij een mens is van vlees en bloed (23 september 1989). Hij geniet hierdoor ook de meeste faam en is de meest genoemde superheld in het corpus (14 keer).

Hieruit blijkt tevens die vermenselijking van de superheld. Andere superhelden maken ook deze metamorfose door: ze worden dronken afgebeeld en zijn aanzienlijk ouder geworden. Dit alles lijkt de geloofwaardigheid van de superheld ten goede te komen (17 augustus 1990).

Deze vermenselijking heeft daarnaast ook nog een andere bijkomstigheid, namelijk dat non-fictieve mensen opeens ook een heldenstatus toegedicht krijgen. Waar de acteur Clint Eastwood in de vorige periode al een superhelden-status in Amerika genoot, is dit beeld van hem nu ook overgewaaid naar Nederland. In Amerika werd hij in 1985 uitgeroepen door het weekblad US News en World Report na een landelijke opiniepeiling als de “nummer één [held] van de Amerikanen van 18 tot 24 jaar.” (17 april 1985). Hij werd gezien als een algemeen bekende figuur waar men graag op zou willen lijken.

Periode 1992-1997

Terwijl in de voorgaande perioden veel van doen was over de superhelden, is het corpus van deze periode betreffende superhelden in het Nederlandse publieke debat zeer klein. Toch zijn er belangrijke bevindingen in het corpus dat er bestaat. Ten eerste wordt er voor het eerst gesproken over een zwarte superheld in de film Passenger 57 (Het Parool, 1993). Deze trend wordt voortgezet, en in 1997 is het te zien dat “O’Neal als de eerste zwarte superhero naar voren [wordt] geschoven; Hollywood heeft daarbij een Afro-Amerikaanse versie van Arnold Schwarzenegger voor ogen. De belangrijkste opdrachtgevers zijn echter de grote firma’s waarvoor hij in reclamespots acteert.” Voor het eerst lijken superhelden het stereotype van de blanke man met superhelden-kwaliteiten te overstijgen.

Maar niet alleen deze verschuiving in de superhelden-wereld is opmerkelijk en ongebruikelijk. Het is namelijk in deze periode dat een nieuwe superheld zijn intrede doet: Witchblade, “[e]en potsierlijke metalen handschoen van duizenden jaren oud (…) [die] zijn drager superkrachten [bezorgt], al komen die er voornamelijk op neer dat drager en handschoen samen tot buitensporig geweld in staat zijn.” (z.d.)

Een bekend gezicht is er te zien in Superman, wiens verkoopcijfers een nieuwe stimulus heeft gekregen dat hem weer in het centrum van de belangstelling plaatst.

Periode 1998-2002

Bestaande trends uit voorgaande periodes vloeien voort in deze periode. Wederom is er een zwarte superheld te bewonderen, ditmaal in de film Spawn (1998). Hoewel de verschijning van de superheld wordt geroemd, wordt de film zelf door slechte animatie en het flinterdunne verhaal toch neergeschoten door de critici (Het Parool, 1998).

Oude bekenden zijn ook weer van de partij, zoals Spiderman. Van de laatste is er te zeggen dat deze door het uitkomen van een nieuwe Spiderman film in jaar 2002 veel aandacht voor is in Amerika en hem de populairste superheld uit de stal van Marvel noemen (Het Parool, 2002). De context die hiervoor gegeven wordt in een artikel uit hetzelfde jaar is dat de Amerikanen een held zoals hij nodig hebben na de aanslagen van 9/11. De Amerikanen scharen zich achter de menselijke Spiderman, “gewoon een voorstadsjongen uit een middle-class family.” De Amerikanen zoeken in Spiderman het verloren geloof in het goede van de mensheid en vinden in Spiderman het nieuwe rolmodel, namelijk dat de “aller-gewoonste modale mensen soms bovennatuurlijke daden kunnen verrichten, hoe je als simpel mens toch een verschil kan maken in de levens van anderen.” Nederlandse kranten geven aandacht aan de record-brekende kijkcijfers van deze film en kondigen vol verwachting de premiere van de film in Nederland.

Van de eerste, Batman, wordt gezegd dat hij nog wel eens in een (teken)film verschijnt, maar dat hij vooral een nieuwe stimulus krijgt door zijn verschijnen in superhelden-games. En mede daardoor lijkt het een van de oude superhelden die zich staande houdt tussen de hedendaagse actiefiguren zoals de nieuwe Power Rangers en Dragonball Z.(Johan Stobbe) Batman is niet de enige die zichzelf terug kan vinden in games, ook een stoerder alter-ego van Donald Duck, PK, bevindt zich aan de andere kant van de controller. En het lijkt bijna wel dat de game als een soort nieuwe stimulus kan genereren voor superhelden die bijna de vergetelheid in waren geraakt. Zeker aangezien PK pas door Walt Disney werd omarmd voor de gaming-industrie maar daarvoor niks van de creatie wilde weten.(Maarten Pennenwaard)

En dit is niet de enige keer dat er in deze periode wordt gesproken van Disney in relatie tot superhelden. Disney brengt namelijk ook zijn nieuwe tekenfilm Hercules uit, die speelt met het alom bekende superhelden-plot van “[e]en echte superheld, een onstuimige slechterik, spanning, humor en een vleugje romantiek. Disney’s nieuwste animatiefilm Hercules [laat zien] hoe godenzoon Hercules uitgroeit van een ‘nul tot een held’ (from zero to hero)” (z.d.).

Tevens worden non-fictieve personen op handen gedragen en krijgen de superhelden-status toebedeelt. In deze periode valt dit grote genoegen ten deel aan Jantje Smit die furore maakt in Duitsland (z.d.), en aan Pieter van den Hoogenband (z.d.).

Periode 2003-2007

Werden eerst nog de superhelden deels onder het genre van de science fiction geschaard, wordt er in deze periode specifiek gesproken over het superheldengenre (2001). En dit superheldengenre wordt gekarakteriseerd doordat de trend van de menselijkere superheld steeds meer doorzet:

“Zo iemand als Superman, die praktisch alles kan is op de keper beschouwd best saai. De helden uit de Marvel Comics-serie X-Men zijn heel wat intrigerender, omdat zij in het leven van alledag vaak meer last dan voordeel hebben van hun bijzondere gaven.” (z.d.)

Deze vermenselijking wordt zelfs in een zodanige mate doorgezet dat de beste superheld in meer of mindere mate gemankeerd is. Interessant hierbij is dus dat een van de boegbeelden van de meer menselijke superhelden de (individuele leden van) X-Men een meer prominente plek krijgen toegewezen in het Nederlandse publieke debat over superhelden terwijl Spiderman zijn zegetocht voortzet met het uitbrengen van een tweede film in 2004 die nog beter wordt ontvangen omdat het “nog dieper ingaat op de worsteling van Peter Parker met zijn vloek, zijn plicht als superheld” (z.d.).

En waardoor er in 2002 met de uitkomst van Spiderman 1 veel aandacht was voor de ontstaansgeschiedenis, blijkt dit een trend te zijn geworden voor meerdere Amerikaanse superheldenfilms. Deze trends waaien vervolgens over naar Nederland waardoor het publieke debat zich ook in Nederland richt op de ontstaansgeschiedenis van onder andere Catwoman en Batman.

Het lijken wel de hoogtijdagen van het superheldengenre: De superhelden en vergelijkingen schieten als paddestoelen uit de grond. Zo verschijnen niet alleen Elektra en de Hulk in nieuwe films, ook doet Disney weer een duit in het zakje in samenwerking met Pixar voor The Incredibles. Ook verschijnt superheld van de oude stempel Eric de Noorman weer ten tonele en worden ook Hellboy en The Phantom er aan de haren bijgesleept. Zelfs Harry Potter wordt tussen neus en lippen genoemd. Deze alomtegenwoordigheid komt ook terug in het gegeven dat te pas en te onpas de status van superheld aan alles en iedereen wordt toegeschreven en dat er bijna geen stap te zetten is zonder over superhelden te struikelen. Non-fictieve personen of dingen worden vanwege uitzonderlijke prestaties de term superheld toegedicht. Naast dat het voor sporthelden wordt gebruikt, worden ook opeens auto’s vergeleken met superhelden. Tevens worden superhelden ingezet voor campagnes tegen zwerfvuil en in reclames

Ook komen er Indiase superheldenfilms naar voren in deze periode. Daar waar er eerst Amerikaanse en Europese superhelden het Nederlandse debat betreffende het discours om superhelden dicteerden, wordt er ook geschreven over Indiase superheldenfilms. Ze volgen het bekende plot van de Amerikaanse superheldenfilms, waardoor de voorbeeldfunctie van Amerika betreffende superhelden onderstreept wordt, aangezien het “scènes [bevat] die doen denken aan Spider-Man, The Matrix en Superman.” (z.d.).

Wat ook op begint te vallen is dat de superhelden enkel en alleen nog met bijvoeglijk naamwoorden worden beschreven die of specifiek verwijzen naar een bepaalde soort superheld, zoals ‘gemuteerde’ dat doet voor X-Men, of dat het zo generiek is dat het niet iets extra’s toevoegt aan de beschrijving van de superheld, zoals ‘gespierde’ en ‘gewapende’.

Periode 2008-2012

Waar de voorgaande periodes een redelijk aantal vermeldingen werd gemaakt van zowel de term ‘superheld*’ en ‘superhero*’, is er in deze periode een explosieve toename te registreren (982 hits op ‘superheld*’; 383 hits op ‘superhero*’). In het corpus zelf wordt er zelf gesproken over een “heuse hausse aan superheldenfilms” (z.d.). Wat een van de mogelijke oorzaken hiervoor is, is dat een van de meest voorkomende collocaties met ‘superheld*’, ‘nieuwe’ is (freq. 34), wat op haar plaats verwijst naar ofwel nieuwe superhelden zoals Kick-Ass, ofwel een makeover voor bestaande superhelden zoals Batman, ofwel een vertaalslag van een oude superheld naar het witte scherm zoals Captain America en Green Lantern. En blijkbaar slaat het aan, want “van  2002 tot en met 2008 was minstens een van de tien best bezochte films van het jaar een superheldenfilm.” (2011). Daar moet zeker bij vermeld worden dat de meeste films die uitkomen en de films waar het meeste aandacht aan wordt besteed in Nederland, Amerikaanse superheldenfilms zijn.

Maar dat zegt niet dat er niet te spreken is over Nederlandse superhelden. Een van de verschuivingen die in dit corpus namelijk doorzet is dat er in explosieve mate geadverteerd wordt met Nederlandse superhelden met kinderen als doelgroep. Waar eerder Robin Hood werd gezien als een superheld voor de hele familie, wordt er nu over aandoenlijke, knuffelende en aardige superhelden geschreven in de Nederlandse kinderliteratuur. Deze wildgroei aan Nederlandse kinder-superhelden is deels te verklaren met het gegeven dat in 2011 het thema van de kinderboekenweek superhelden was. ‘Kinderen’ staat dan ook hoog in de collocaties (freq. 26) naast kinderboekenweek (freq. 17). Ten tweede ontstaan er ook kindershows op de tv over superhelden, zoals Mega Mindy (freq. 14).

Van de oude bekende superhelden, wordt het meest teruggevonden van Superman (freq. 14) en bekleed hierin samen met Batman een soort van voorbeeldfunctie van de ultieme superheld. Zij worden gezien als oerconservatieve superhelden die door de tijd zijn ontwikkeld van ordinair vermaak naar een uitstraling van een nieuwe ideologie, zoals wordt overgenomen in een artikel naar aanleiding met een interview met Dan Hassler-Forest:

“De nadruk, zegt  Hassler-Forest, ligt daarin op origin stories, de verhalen waarin de oorsprong van helden wordt verteld. ,,Dat is typisch voor onze postmoderne tijd.  We weten niet meer wat onze rol in de geschiedenis is. We  zoeken naar onze identiteit en willen ijkpunten. Want als je kunt  vaststellen waar je vandaan komt, weet je ook beter waar je naartoe gaat.” ” (2011)

Deze diepte wordt eveneens opgezocht in het gebruik van bijvoeglijk naamwoorden zoals gemankeerde, kwetsbaar, en gefrustreerde. Hierdoor komt de menselijke kant van de superhelden weer naar voren. Maar daar waar er dieper op de superhelden wordt ingegaan in het officiële superheldengenre, ontstaan er tegelijkertijd ook parodieën op de hype. Zo worden zowel Hancock als wel Superhero Movie uitgebracht als karikaturen van het superheldengenre.

Een laatste gegeven dat in deze periode ook opvalt is dat de klassieke superhelden van de oude stempel, zoals Batman en Superman die reeds hun titel als superheld hebben verdiend, niet per se meer aangemerkt worden als zijnde superheld. In de verhandeling van hen in de artikelen wordt er vanuit gegaan dat men weet van hun superhelden-status, wat doet geloven dat ze dusdanig bekend zijn in het Nederlandse publieke debat dat het algemene kennis is geworden. De nieuwe superhelden zoals Captain America en Hancock worden daarentegen nog wel steeds expliciet aangeduid als superheld, en ook superhelden die altijd een meer marginale bekendheid hebben genoten, zoals Watchmen, worden ook nog steeds expliciet als superheld vermeld.

Periode 2013-2017

De collocaties laten zien dat waar voorheen individuele superhelden of squads de hoogste frequentie hadden, dat nu Marvel (freq. 33) het meest voorkomt. Al deze vermeldingen zijn verwijzingen naar Marvel Entertainment, een grote Amerikaanse uitgever van comics. Tevens wordt er in deze verwijzingen vooral verwezen naar de superheldenfilms die zij uitbrengen (freq. 30) en de individuele superhelden die hierin een rol krijgen toegewezen zoals Captain America en Spiderman. Zij krijgen zelfs meer verwijzingen dan Superman (freq. 20), een superheld van het concern DC Comics.

Is de vermenselijking van de superhelden al een paar periodes in opkomst, dan wordt daar deze periode beargumenteerd dat dit alleen niet genoeg is. De superhelden zouden namelijk een meer accurate afspiegeling moeten zijn van de wereldbevolking. Toegegeven, er zijn al meer vrouwelijke superhelden dan er eerst waren, maar “[d]e bekendste superhelden zijn westers, blank en als ze religieus zijn, meestal christelijk. Daarmee is de superheldenpoule verre van een eerlijke afspiegeling van de wereldbevolking.” (z.d.). En waar er dan in het superheldengenre gesproken kan worden over enige diversiteit, behoren deze personen veelal tot de schurken (z.d.).

In deze periode verschijnen naast Deadpool geen nieuwe grote superhelden ten tonele, en blijven de meeste superhelden die terug te vinden zijn, Amerikaanse superhelden die ook al furore maakten in de vorige periode. Toch zijn er, in combinatie met het hiervoor gemaakte punt, wel verschuivingen gaande waarin landen met hun eigen superhelden op de proppen komen. Zo worden er in deze periode meer nationaliteiten gevonden in het Nederlandse publieke debat dan in alle voorgaande periodes.

Toch wordt de impressie gewekt dat er deze periode een lichtelijk verminderde aandacht is voor superhelden, aangezien er minder verwijzingen naar ze zijn (885 hits op ‘superheld*’; 191 hits op ‘superhero*’). Er komen iets minder superheldenfilms uit, maar degene die uit komen, zijn daarin tegelijkertijd het strijdtoneel voor een veelvoud superhelden.

Conclusie en discussie

Vanuit de resultaten zijn er duidelijk veranderingen in het Nederlandse publieke discours betreffende superhelden te vinden. In deze conclusie komen deze verschuivingen een voor een naar voren. Ten eerste zal de evolutie van het genre waarin superhelden opereren worden besproken. Vervolgens zal er uiteen worden gezet hoe er over superhelden gedacht wordt in Nederland en welke soort superheld de voorkeur kreeg van het Nederlandse publieke debat. De derde en laatste verschuiving die vanuit de analyse naar voren komt zijn de verschuivingen in de nationaliteit van de meest belangrijke superhelden.

Een van de eerste bevindingen is de evolutie betreffende het genre waarin de superhelden verschijnen. Het genre is daarmee tevens bepalend voor zowel welke als de soort superheld dat de revue passeert. In de eerste periode, 1951-1962, is het duidelijk te zien dat de voorkeur van het Nederlandse publiek ligt bij westerns en de superheld Zorro die hierbij hoort. Vanaf 1963 verschuift de voorkeur echter naar spionage, en begint James Bond aan zijn hoogtijdagen in het Nederlandse publieke debat. Dit is voor een groot deel te zien doordat niet alleen James Bond het goed doet, maar doordat de superhelden met wie hij het toneel deelt, voor een groot deel persiflages van James Bond zijn. Denk hierbij aan namen als Harry Palmer en Derek Flint. Het genre waartoe Batman behoort is nog niet gespecificeerd en er wordt alleen naar hem verwezen als zijnde een superheld. Wanneer de zogenoemde ‘Bondziekte’ af begint te zwakken rond 1968-1972 en van haar laatste faam geniet, wordt het genre van de western in 1973-1977 hervonden. Echter, de western blijft niet lang populair, en ziet zichzelf rond 1978-1982 vervangen worden door science fiction. Superhelden zoals superman en Spiderman vinden hun intrede in het Nederlandse publieke debat onder deze noemer. Dit blijft tot aan de periode 2003-2007 de aanduiding voor superheldenfilms, vanaf wanneer het daarna een eigen categorie krijgt: het superheldengenre. Hieruit, en gepaard met de toename van de vermeldingen van superhelden in het Nederlandse publieke debat (fig. 3), is te concluderen dat de superhelden van steeds grotere populaire waarde werden in het Nederlandse publieke debat. Hierdoor lijkt het alsof de huidige context van Nederland ook steeds meer behoefte heeft aan superhelden, wat in lijn zou zijn met het gegeven dat superhelden contextgebonden zijn (Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015).

Deze contextgebondenheid komt ook terug in combinatie met het ideaalbeeld van een superheld in een bepaalde tijd. James Bond was, zoals eerder genoemd, de eerste grote superheld die naar voren trad in het Nederlandse publieke debat. De superhelden werden toen omschreven als kalm, keihard en onaantastbaar. Het ideaal voor superhelden bleef daarnaast ook heel erg lang het hebben van mooie kleren en snelle auto’s. De superheld houdt van gevaar en van mooie vrouwen. Een superheld die hiervan afwijkt, zoals Batman, wordt gezien als knullig en humoristisch. Vanaf 1973 is er een verschuiving in het debat te onderscheiden waarbij superhelden opeens worden beschreven als blunderend, humoristisch, vrolijk, clowneske en verkreukeld. Er bestaat een vraag naar een meer humoristische aanpak van het heldendom die wat dichter bij huis ligt van het publiek. In 1978 worden zowel de eerste echte Nederlandse superhelden ten tonele gevoerd en betreden daarnaast ook vrouwelijke superhelden het toneel. Het is vanaf dit moment dat de superheld ook meer herkenbaar moet worden voor het publiek. Vanaf 1983 wordt er veel gepleit over de vermenselijking van de superheld. Er is vanaf 9/11 een vergrootte aandacht voor de modale man die tot buitenissige zaken in staat is, iets waar vanaf dat moment veel behoefte aan is en het publiek zich mee willen identificeren. Spiderman dient hierbij als psychologische spiegel (Plencner, Kraľovičová & Stropko, 2014). Typerend voor deze trend is dat er steeds minder bijvoeglijke naamwoorden gebruikt om de individuele superhelden te duiden, maar dat ze steeds meer gestaafd worden naar de voorbeeld-superhelden Batman en Superman: stoer, gespierd en gemankeerd.

Echter doordat er zo wordt gestaafd naar voorbeeld-superhelden, is het moeilijk expliciet te maken naar welke expliciete kenmerken van hen als superhelden wordt verwezen en die zij delen met hun collegae. Dit is niet de enige reden die de bepaling van wat een superheld maakt bemoeilijkt. Superhelden schieten schijnbaar als paddestoelen uit de grond schoten gedurende de onderzochte periodes. Hiermee wordt bedoeld dat er door het missen van verscheidene jaartallen in de datasets soms de opkomst van bepaalde superhelden in het Nederlandse publieke debat niet te herleiden is. En het daarmee ook niet te bepalen is wat deze doet met het beeld over wat er heerst als zijnde de ideale superheld. Tevens is het ook lastig om precies uit te vinden wanneer bepaalde karakters als superhelden worden aangeduid omdat het soms even duurt voordat ze als superheld worden geaccepteerd in het Nederlandse debat. Hierbij wordt bedoelt dat Guust Flater al eerder voorkwam in het corpus dan 1978, maar dat hij in 1973-1977 nog niet als superheld werd aangemerkt.

Zoals hierboven genoemd, komen de eerste Nederlandse superhelden, als zodanig aangemerkt, pas de kop op steken vanaf 1978. Voordat de Nederlandse superhelden voet aan de grond kregen, domineren de Engelse superhelden het Nederlandse publieke debat vanaf 1962 tot 1982. Vanaf 1982 delen de marginale Nederlandse superhelden het toneel met de Amerikaanse superheld zoals Batman en Superman. Vanaf dit moment zijn de superhelden overwegend van Amerikaanse origine. Het is pas vanaf 2003-2007 dat deze Amerikaanse superhelden ietwat rivaliteit ondervinden van superhelden van andere nationaliteiten. Indiase superheldenfilms lijken hierin de eerste voorlopers te zijn, waarna er steeds meer andere nationaliteiten te vinden zijn in het Nederlandse publieke betreffende superhelden. Dit feit wordt ook gecombineerd met de oproep van het publiek om meer diversiteit van superhelden in het superheldengenre. Dit is in overeenstemming met het idee dat slechts twee derde van alle superhelden daadwerkelijk Amerikaans is (Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2015).

Concluderend is er te stellen over het discours betreffende superhelden in het Nederlandse publieke debat vanaf 1951 tot heden dat superhelden een steeds grotere en belangrijke rol gaan spelen. Het Nederlandse publieke debat word in toenemende mate gedomineerd door Amerikaanse superhelden die de Amerikaanse normen en waarden belichamen (Dittmer, 2013). Doordat de acceptatie van verschillende superhelden afhankelijk is van context (Rapp, Ogilvie & Bachrach, 2013) en de mogelijkheid tot identificatie met de superheld (Plencner, Kraľovičová & Stropko, 2014), is het te stellen dat Nederlandse collectieve referentiekaders op lange termijn (1951-2017) en betreffende Amerikaanse superhelden is beïnvloed door de dominante Amerikaanse cultuur.


VOETNOTEN

1: Anthony, L. (3 februari 2014). AntConc 3.4.0 Tutorial 2: Concordance Tool – Basic Features. Zoals gevonden op 4 april 2017 op https://www.youtube.com/watch?v=uAYCA8dYbr4

2: Anthony, L. (3 februari 2014). AntConc 3.4.0 Tutorial 7: N-Grams Tool. Zoals gevonden op 4 april 2017 op https://www.youtube.com/watch?v=1FG9N3jqlHY


REFERENTIELIJST

Ahmed, M. & Lund, M. (2016). ‘We’re all Avengers now’: Community-building, civil religion and nominal multiculturalism in Marvel Comics’ Fear Itself. European Journal of American Culture, 32:2. doi: 10.1386/ejac.35.2.77_1

Anthony, L. (2004). AntConc: A learner and classroom friendly, multi-platform corpus analysis toolkit. In: Anthony, L., Fujita, S. & Harada, Y. (eds.) (2004). Proceedings of IWLeL 2004: An Interactive Workshop on Language E-learning 2004. Pp. 7-13.

Brett, M.R. (2012). Topic Modeling: A Basic Introduction. Journal of Digital Humanities, 2:1. http://journalofdigitalhumanities.org/2-1/topic-modeling-a-basic-introduction-by-megan-r-brett/

Dittmer, J. (2013). Captain America and the Nationalist Superhero: Metaphors, Narratives, and Geopolitics. Philadelphia: Temple University Press.

Eijnatten, J. van, Pieters, T. & Verheul, J. (2013). Big Data for Global History: The Transformative Promise of Digital Humanities. BMGN – Low Countries Historical Review, 128:4. Pp. 55-77.

Eijnatten, J. van ., Pieters, T. & Verheul, J., (2014). Using Texcavator to Map Public Discourse. Tijdschrift voor Tijdschriftstudies. (35). Pp. 59–65. DOI: http://doi.org/10.18352/ts.303

Kroes, R. (Ed.) (1981). Image and impact: American influences in the Netherlands since 1945. Amsterdam: Amerika Instituut, Universiteit van Amsterdam.

Lu, H., Yuan, S., & Lu, S. Y. (1996). On preprocessing data for effective classification. In: ACM SIGMOD’96 Workshop on Research Issues on Data Mining and Knowledge Discovery.

Plencner, A., Kraľovičová, D. & Stropko, M. (2014). Hero Transformations In Contemporary Mainstream Film. European Journal of Science and Theology, 10:1. Pp. 79-92.

Rapp, A. Ogilvie, J. & Bachrach, D.G. (2015). Sales leadership icons and models: How comic book superheroes would make great sales leaders. Business Horizons (2015) 58, 261—274.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s